Volgens het eindrapport van de BEA begon de breuk van de fannaaf bij Air France-vlucht 66 met een scheur onder het oppervlak van een bladsleuf, ontstaan en gegroeid door cold dwell fatigue in een macrozone van de titaniumlegering Ti-6-4
1. Als mogelijke bijdragende factoren bij Air France-vlucht 66 noemt de BEA het gebrek aan kennis bij de motorbouwer over cold dwell fatigue in Ti-6-4, het ontbreken van certificatie-eisen daarvoor en het ontbreken van niet-destructieve methoden om afwijkende macrozones op te sporen
1. Bij Air France-vlucht 66 bezweek de fannaaf na een aantal cycli dat vier keer lager lag dan de minimale levensduur van de naaf, bij een spanning van minder dan 80% van de vloeigrens van het materiaal
1. Het onderzoek naar Air France-vlucht 66 werd door de Deense onderzoeksraad AIB DK gedelegeerd aan de Franse BEA, die het voorval als ongeval classificeerde
1. De brokstukken van Air France-vlucht 66 vielen in een verlaten, met ijs bedekt gebied ongeveer 100 km ten noordwesten van Narsarsuaq; de belangrijkste delen werden pas ongeveer 21 maanden na het ongeval gevonden, waarbij in juli 2019 een fragment van de fannaaf werd geborgen
1.