Transponder
Wacht op leden
Diana· 6 mei
Een transponder in een vliegtuig geeft antwoord op 1090 MHz als het ondervraagt wordt door Secondary Surveillance Radar (SSR) op 1030 MHz. Een transponder kan op vier manieren worden ondervraagd. De huidige transponders antwoorden in mode A en C, maar zullen in de toekomst steeds meer in mode S antwoord gaan geven. Het gebruik van transponders is gericht op het verhogen van de effectiviteit van ACAS (anti-collission) en de verkeersleiding, om de kans op botsingen in de lucht te verkleinen.
Als het grondstation ondervraagt in Mode A wordt een identiteitscode gevraagd, in Mode C wordt de hoogte gevraagd. De Mode A code wordt in vier cijfers in de cockpit ingesteld, de Mode C hoogte wordt veelal uit de hoogtemeter afgeleid. Maar hij kan ook door een apart kastje gegenereerd worden, de zgn. 'blind encoder'. De identiteitscode maakt het mogelijk een koppeling te maken met het vliegplan, waardoor de controller op het scherm meteen de roepnaam ('call-sign') kan zien. De Mode C code geeft daarbij de hoogte, altijd gebaseerd op 1013.2 hPa.
- Mode A: identiteitscode wordt gevraagd, 4096 codes zijn mogelijk. Het is in Nederland niet toegestaan alleen met mode A te vliegen, omdat een verkeersvliegtuig daardoor onnodig zou kunnen uitwijken, omdat het de hoogte van het mode A voerende vliegtuig niet weet.
- Mode C: identiteitscode + hoogte (gebaseerd op standaarddruk 1013.25 hPa) wordt gevraagd, 4096 codes zijn mogelijk. Het is in Nederland verplicht mode C te voeren in een vliegtuig.
- Mode S: (selective co-operative SSR) identiteitscode + hoogte. Elk vliegtuig wordt via zijn eigen unieke adres apart ondervraagd. Tussen 2003 en 2006 worden alle Nederlandse SSR grondstations aangepaast aan Mode S. Mode S is niet verplicht voor VFR luchtverkeer. De verplichting voor VFR luchtverkeer om Mode S te gebruiken zal waarschijnlijk per 1 maart 2005 gaan gelden, met een overgangsregeling voor het gebruik van Mode A en C transponders tot 1 maart 2008. Aangeraden wordt om voor een nieuwe installatie zo mogelijk te kiezen voor Mode S.
Er zijn vier standaardcodes in gebruik in de luchtvaart. De verkeersleiding kan een andere code opgeven aan de piloot, zodat het vliegtuig te identificeren is. Dit heet "squawken".
Als het grondstation ondervraagt in Mode A wordt een identiteitscode gevraagd, in Mode C wordt de hoogte gevraagd. De Mode A code wordt in vier cijfers in de cockpit ingesteld, de Mode C hoogte wordt veelal uit de hoogtemeter afgeleid. Maar hij kan ook door een apart kastje gegenereerd worden, de zgn. 'blind encoder'. De identiteitscode maakt het mogelijk een koppeling te maken met het vliegplan, waardoor de controller op het scherm meteen de roepnaam ('call-sign') kan zien. De Mode C code geeft daarbij de hoogte, altijd gebaseerd op 1013.2 hPa.
- Mode A: identiteitscode wordt gevraagd, 4096 codes zijn mogelijk. Het is in Nederland niet toegestaan alleen met mode A te vliegen, omdat een verkeersvliegtuig daardoor onnodig zou kunnen uitwijken, omdat het de hoogte van het mode A voerende vliegtuig niet weet.
- Mode C: identiteitscode + hoogte (gebaseerd op standaarddruk 1013.25 hPa) wordt gevraagd, 4096 codes zijn mogelijk. Het is in Nederland verplicht mode C te voeren in een vliegtuig.
- Mode S: (selective co-operative SSR) identiteitscode + hoogte. Elk vliegtuig wordt via zijn eigen unieke adres apart ondervraagd. Tussen 2003 en 2006 worden alle Nederlandse SSR grondstations aangepaast aan Mode S. Mode S is niet verplicht voor VFR luchtverkeer. De verplichting voor VFR luchtverkeer om Mode S te gebruiken zal waarschijnlijk per 1 maart 2005 gaan gelden, met een overgangsregeling voor het gebruik van Mode A en C transponders tot 1 maart 2008. Aangeraden wordt om voor een nieuwe installatie zo mogelijk te kiezen voor Mode S.
Er zijn vier standaardcodes in gebruik in de luchtvaart. De verkeersleiding kan een andere code opgeven aan de piloot, zodat het vliegtuig te identificeren is. Dit heet "squawken".